Opdat dit al moge strekken tot Heil en Welvaren van den Huize St. Eloy

De Boterstraat en andere straten en stegen in Utrecht

Kent u Utrecht en haar straten en stegen?

Kijk dan eens goed naar beide straatnaamborden boven de deuren.

Dit zijn authentieke borden van voor 1880. Wanneer  straatnaamborden precies in Utrecht zijn ingevoerd, is onbekend. Wel duidelijk is dat men onder invloed van Napoleon is begonnen om alle straten en stegen te voorzien van een naam.

Op de naam Boterstraat, waar u nu bent,  komen we nog terug.  Want als u denkt dat deze iets met zuivelhandelaren te maken heeft dan bevindt u zich in goed gezelschap.

straatnaamborden IMG_4605
Vie Steeg

Als u Utrecht kent zult u bekende dingen op de borden zien.

Ja we hebben een Viestraat in Utrecht en ja we hebben ook een Nieuwstraat.
Maar als u goed op het bord boven de deur kijkt dan ziet u dat het over de VieSTEEG gaat

Hoe zit dat in elkaar? Is er ook een steeg geweest of is de steeg uit haar voegen gegroeid en een straat geworden?

Het antwoord is het laatste. De Viesteeg was zo belangrijk als verbindingsweg o.a. voor vee (vie) dat naar de veemarkt op de Neude ging,  waardoor aan het einde 19e eeuw de straat verbreed is en toen gepromoveerd tot straat. Vergelijkbaar promoveerde de Gortsteeg naar een straat en kreeg de naam Havenstraat.

Terug naar het andere bord dan ziet u dat er een Nieuwstraat was. Maar in Utrecht hebben we er twee: de Korte en de Lange Nieuwstraat. Ook hier is geen sprake van een andere straat maar een hernoeming, echter om een andere reden.

Aan de Nieuwstraat lag de Pauluspoort die de toegang tot de Abdij kon afsluiten. Na de sloop van deze poort heeft men besloten de straatgedeelten binnen en buiten de poort een aangepaste naam te geven. De historische ligplaats van de poort en vooral de abdij zou zo duidelijk blijven. Het stuk binnen de Abdij werd Korte Nieuwstraat en het stuk buiten kreeg de royale naam Lange Nieuwstraat

U ziet hoe straatnaamborden verhalen over de geschiedenis van onze stad vertellen.

Maar zoals beloofd: terug naar de Boterstraat.

Als je gaat zoeken zul je ontdekken dat de oude naam soms ook Botterstraat is. Het is geen oude of dialectnaam van Boter of een verwijzing naar een boottype. Meest aannemelijk is dat het verwijst naar het ambacht van de botterlieden. Deze beroepsbeoefenaren hadden zelfs een eigen gilde: het Bottersgilde.

Het Bottersgilde

Wat waren dit voor ambachtslieden?

In geschriften van dit gilde, staan producten als spek, worst, gevogelte en wild. Je moet dus meer denken aan een afsplitsing of specialisatie zouden we nu zeggen van de slagers of de oude benaming beenhouwers.

Of toch gewoon Boter?

Laden en lossen aan het Vissersplein

De verwarring en misschien ook wel de reden dat het Boterstraat geworden is, heeft er mogelijk er mee te maken dat van 1895 tot 1965 in de Boterstraat 18 een zuivelfabriek gevestigd was. Deze foto van het laden en lossen aan het Vissersplein laat de fabriek nog mooi zien.

Maar hoe weten we zo zeker dat het vroeger de Botterstraat was?

Dit blijkt uit o.a. uit een akte uit 1758 toen een pand aan de Botterstraat verkocht werd. Maar ook toen P. van Gent in 1780 wonende aan de Botterstraat een testament liet opmaken.

Napoleon? Onbekende andere gebeurtenis?  Het is nog steeds een mysterie wanneer de naam nu echt aangepast is.

NOG MEER WETEN? Klik op deze straatnamen:

Galekopsteeg

De eerste steeg, welke men aan de Zuidzijde der Boterstraat van den kant der Lijnmarkt komende, aantreft, draagt dezen naam naar het oude Utrechtsche geslacht van Galencoep, het welk vroeger deze streek bewoonde, en waarschijnlijk dezen poortweg heeft doen aanleggen. Dit geslacht vervulde gedurende den loop der XV eeuw de eerste betrekkingen in het bestuur van de Stad en het Sticht. Door de weinige bekendheid van hetzelve, willen wij de betrekkingen van eenige der leden hier kortelijk mededeelen.                    

Het vroegst vonden wij, dat Jonge Ghisebrecht in 1404 tot Ouderman, en in 1412 tot lid van den Raad werd aangenomen, welke betrekkingen hij afwisselend het grootste tijdperk zijns leven heeft waargenomen. Zijne beide broeders, Reinier en Claes waren in 1434 medeopzigters van de Zielebroederschap in de Buurkerk te Utrecht, welke vereeniging uit de voornaamste mannen der Stad bestond.

Zekere Johan van Galecoep werd in 1423 tot Deken van het St. Pieters-collegie gekoren; waarschijnlijk was ook hij een lid van dit geslacht, terwijl in 1442 nog zekere Claes als Ouderman genoemd wordt, enz. In deze steeg aan de Oostzijde, ligt een wel onderhouden hofje, omringd van acht vrije woningen, welke onder de administratie der Buurkerk behooren. Wijk E No. 324. In den gevel aldaar is een gedenksteen geplaatst, ter herinnering van de overbrenging dezer kameren in 1644 uit de Ambachtstraat te dezer plaatse; in dien steen staat het volgende opschrift: De godscameren ghefondeert inde Ambachtstraat Anno 1375 – en in St. Jansstraet Anno 1538 syn alhier ghestelt int jaer 1644 als Johan Bor en Corns van Voorbyrck kerkmrs. waren.

Deze woningen zijn vanuit de Ambachtstraat verplaatst naar deze steeg.

De uitgang dezer steeg vormt een driesprong; recht daar tegen over, in het Zuiden. Ligt de Holle Bilt, en ten Westen de Vissersteeg. Overigens wint zij het van hare naburen in zindelijkheid.

Eloijensteeg.                                                                           

Aan de Oostzijde van het St. Eloyen-Gasthuis ligt de steeg, welke dezen naam voert, en waarschijnlijk aan de stichting van dit huis derzelver oorsprong verschuldigd is; immers dat zij van eene hooge oudheid dagteekent, blijkt uit de zijmuren, die waarschijnlijk nog van het tijdperk der stichting bestaan. De muur ten Westen is opgemetseld van roode gebakken steen, welke niet minder dan eene lengte van 34, eene breedte van 15 en de dikte van 8,5 Ned. Duim beslaan; dezelve zijn nog zoo hecht, dat zij nog lang den verterenden tand des tijds zullen kunnen verduren. Deze steeg is bij den ingang van het gebouw overdekt; op een kleinen afstand is zij nieuw overkluisd door een tweede gebouw, en een weinig verder krijgt zij aan de Westzijde een breeder aanzien door drie slecht onderhouden huizen, welke meer achterwaarts gebouwd zijn. Deze woningen bereiken een meer dan gewone hoogte; zij zijn van twee verdiepingen voorzien, van gelijken vorm op eene lijn gebouwd en dragen het kenmerk van eenen vroegeren tijd.

Alendorpsteeg

Deze steeg aan de Zuidzijde der Mariaplaats gelegen, is thans slechts een uitgang, door poortdeuren afgesloten van het huis op den Springweg Wijk E, No.275. Vroeger is zij eene doorlopende steeg geweest, welke de gemeenschap met de Vissersteeg onderhield. Hare buitengewone breedte duidt aan, dat zij voor den oprit van rijtuigen is aangelegd. Dat zij haren oorsprong verschuldigd is aan het geslacht van Alendorp, bleek ons uit een transportbrief van 1429, waarin zij voorkomt onder de benaming van “Willemsteghe van Alendorp by Sunte Marieplaetse” doch dat zij van vroeger tijdperk kan dagteekenen is wel te gissen, daar wij lezen dat in 1389 zekere Jan van Alendorp zijnde huisinge en hofstede in de Boterstraat en in het Vissersteegje overdraagt. Dit geslacht van Alendorpwas een oud adelijk Stichtsch stamhuis. Het bezat in 1382 eene Ridderhofstad van dienzelfden naam, onder Vleuten gelegen, en bekleedde de voornaamste betrekkingen in het geestelijk en wereldlijk beheer van het Sticht. In 1403 was Willem van Alendorp“Raad”, in 1405 “Schepen” en in 1407 “Burgemeester”. De steeg is thans met slechts vier woningen bezet, doch verscheidene huizen komen met hunne poortwegen en stallen in dezelve uit. Niettegenstaande haar afsluiting, heeft zij tot heden den naam van den steeg behouden.

Kuipersteeg

Deze doorgang van de Zadel- naar de Boterstraat, vinden wij bij dezen naam in de lijst der bedeelingen van de 16 kwartieren vermeld. Wellicht woonde daar een beoefenaar van dat vak.    

NOG NIET GENOEG OVER GASTHUIS EN BOTERSTRAAT? Lees deze sectie:

 

Extra informatie:

Dat deze straat gelijktijdig met de Lijnmarkt en Zadelstraat haar aanwezen ontving, hebben wij reeds gezegd bij de behandeling van den Omloop van St. Maria. Zij was echter toen niet bij name bekend, doch wordt het eerst onder deezen naam in eene uiterste wilsbeschikking van 1332 van de weduwe van Ghys Loy aangetroffen, waarbij zij begeert in de Kerk begraven te worden, legaterende daarvoor aan dezelve een uitgang uit “ eene weere ende huisinge in de Boterstrate “. Hoe deze straat haar naam bekomen heeft, is twijfelachtig. De geleerde Drakenburg leidt denzelven af van eene famili; indien dit dezelfde is, waaruit Snellenburg ontsproot, dan kan zij onder de aanzienlijkste geslachten van het Sticht der Stad gerangschikt worden; echter is ons hiervan niets stelligs gebleken. Anderen wederom zijn van gevoelen, dat de Boterkoopers alhier hun gild, hetwelk al vroeg onder “de Botterludengild” bekend was, gevestigd zouden hebben. Dit zijn beide stellingen waarvoor geene bewijzen aangevoerd kunnen worden.

Deze straat heeft iets eigendommelijks overgehouden van haren ouden bouwtrant. Als minder gunstig voor den handel gelegen, deelde zij niet in den algemeenen bloei harer naburen. Van daar, dat vele onderscheidende kenmerken van oude gebouwen aldaar zijn overgebleven. Men dringe slechts in de nauwe gangen, poortjes en steegjes, en onderzoeke het muurwerk, welke stevige groote metselsteenen door het onvervalschte cement nog even vast in elkander gehouden worden, als zij bij de stichting gemetseld zijn.  

Het Eloyen Gasthuis aan de Boterstraat

Even merkwaardig is het oude Gasthuis, aan St. Eligius gewijd, aan de Zuidzijde dezer straat gelegen. Dit gesticht moet zeker van hooge oudheid dagteekenen; immers de tijd der stichting is niet bekend. Het schijnt al zeer vroeg door het Smedengild te zijn bestuurd geweest; en daar het aan St. Eligius, door verbastering Eloy of Loyen, den patroon van dat gild, was opgedragen, doet dit ons denken, dat hetzelve door de broeders van dat gild voor hunne behoeftige medeleden zal zijn opgerigt.

Dat de fondsen niet altijd toereikende waren, om het onderhoud der noodruftigen te bestrijden, bewijst een brief van den Graaf van Hoogstraten in 1530 uitgegeven, om eene vrije collecte door het land te doen. Daar deze brief weinig bekend is, gelooven wij geene ondienst te doen, een extract uit denzelven hier mede te deelen:“ Anthonis van Lalaing, grave van Hoochstraten, Stadhouder etc. binnen Utrecht residerende, allen den genen, die dese tegenwoordigen sullen sullen sien oft hooren lesen saluyt. Also ons by de ootmoedige supplicatie ende bede van de Huysmeesters ende den gemeenen Broeders van den Smee-ambachte als bewaerders van sint Eloyen gasthuys binnen Utrecht te kennen gegeven is, hoe dat sy int selfde gasthuys dagelycks een seker getal van arme menschen onderhouden moeten, in alimentatie van cost ene dranck mit andere conveniente onderhoudinge. Welck Gasthuys ende arme menschen die Supplianten vermits die soberheyt van de renten en de goeden daer toe behorende, niet langer en souden konnen onderhouden, ten ware dat hem van goeden luyden die hant gereyckt, ende haer aelmissen mede gedeylt worden, gelyck in voorleden tyden van de Voor-Heeren der landen van Utrecht, so wel in de Steden als in den voorsz. Lande, eene bede te mogen hebben mochte toegelaten worden, begeerende dat wy uytten naem ende van wegen der Keyserl. Maj. Hem t’selve souden willen gunnen ende continueren. Doen te weten, dat wy wel genegen synde totter ootmoediger supplicatie der Huysmeesters in heur armoede te succurreren, hebben hemluyden geconsenteert ende belieft, consenteren ende believen mits desen, dat sy een jaer lanck van date van desen af te rekenen, haer Procureurs ende gewaerde Boden sullen mogen uytsenden in alle Steden, Dorpen, ende Vlecken van desen Lande van Utrecht, omme aldaer eens binnen den selven jare een bede te hebben ende tóntfangen van den goeden luyden, ’t gene sy hem uyt caritaten ende haer goede gunste sullen willen geven. Behouden dat, die voorsz. Procureurs ende geschiten Bode die aelmissen, die sy ter cause van dien vercrygen, wel ende getrouwelycken deylen sullen onder den armen, ende nergens elders dat uytgeven, ende daer van goede rekeninge ende reliqua doen sullen aen handen, daer dat behoort”.

In het jaar 1644 onderging dit gebouw eene aanmerkelijke herstelling en verbetering; ene steenen poortdeur wijst den voorbijganger thans nog den bouwtrant van dien tijd aan. Boven de lijst in den deuringang leest men vergulde letters DEN INGANCK VAN ELOYEN GASTHUYS Anno 1644 In het middelpunt boven de deur, staat een smidshamer gebeiteld, gedekt met een gouden kroon, welke den nakomeling de vroegere bestemming van dit gesticht herinnert.

Ook vonden wij, dat de Raad der Stad de bewoners van dat gesticht op hunne refectiemaaltijden met een geschenk voor wijn van f 6.- tegemoet kwam, terwijl dit later, door vrijdom op den wijnaccijns, vermeerderd werd; ook werden, van 1636 tot 1769, de inkomsten van de kolenmaat ten voordeele van het Gasthuis afgestaan. Eene reeks van jaren onderhielden deze gildebroeders in dit gesticht eenige behoeftigen uit hun midden, welk getal, door de vermindering der fondsen is uitgestorven. Nog lang bleven eenige vrije woningen, achter dit Gasthuis gelegen, tot huisvesting van behoeftigen bewaard. Eene zekere broederschap houdt het beheer nog over dit huis, en eenige vaste leden houden in de ruime zaal hier wekelijks hunne bijeenkomsten.

Overigens kunnen wij weinig bijzonders van deze straat zeggen, dan dat de Noordelijke rij huizen, onder de Tinsheerlijkheid van den Omloop van St. Maria gelegen, aan die Heeren het recht gaf, om bij wanbetaling de deuren en vensters der kwaadwilligen weg te nemen, tot zoo lang zij de achterstallige termijnen van pacht en renten betaalden.