In deze pagina’s over de geschiedenis nemen we u mee in 4 hoofdstukken mee in de geschiedenis van gilden en meer specifiek in het smedengilde in Utrecht maar ook hoe wereldlijke economische macht een belangrijke rol speelde bij Gilden maar ook de sociale functie die ze hadden en het huis nu ook aangeduid wordt als het Sint Eloyen gasthuis.
Deze geschiedenis geeft meer inzicht in het verleden en het heden van het gasthuis zoals daar meer over te lezen is op de pagina van het Sint Eloyen gasthuis
Al vrij snel in de Middeleeuwen sloten allerlei groepen mensen zich aaneen. Ze deden dat om sterker te staan in tijden waarin de overheid weinig macht had en waarin een effectief rechtssysteem ontbrak. Vroege voorbeelden daarvan zijn organisaties van geestelijken en kooplieden. De laatsten probeerden zich zo te beschermen tegen diefstal of vernieling van hun handelswaar, als ze dit buiten hun woonplaats trachtten te verhandelen. Om dat te voorkomen begonnen ze een koopmansgilde, waarin alle leden elkaar steunden en collectief actie voerden.
Toen de steden in Noordwest-Europa in de elfde en twaalfde eeuw weer belangrijker werden, sloten langzamerhand ook ambachtslieden zich aaneen. Op die manier stonden ze sterker tegen de oorspronkelijke machthebbers, maar vooral tegen de stedelijke elite, de grote kooplieden en de grondbezitters, die het bestuur van de steden in handen hadden. Ze begonnen ambachtsgilden, waarin mensen met grofweg hetzelfde soort beroep beloofden elkaar te steunen bij machtsmisbruik. Dit was dus tegen externe partijen bedoeld.
Ook intern werd machtsmisbruik aangepakt. Zo ontstonden langzamerhand allerlei regels, waarbij men probeerde iedereen een gelijk speelveld te geven.
Smeden moesten zich bijvoorbeeld aan vaste werktijden houden, mochten slechts een of twee leerjongens aan het werk zetten, dienden dezelfde lonen te betalen en konden niet ongestraft producten van andere gilden zoals timmerlieden gaan maken of verkopen. Bovendien mochten alleen leden van het smedengilde dit ambacht uitoefenen. Ze beschermden zich ook tegen een teveel aan concurrentie doordat niet iedereen tot het gilde werd toegelaten. Meestal kon dit pas als je vader ook al smid was. Vrouwen konden het beroep niet zelfstandig uitoefenen. De andere manier om gildelid te worden was om je ‘in te kopen’. In alle gevallen moest je vakbekwaam zijn. Daartoe diende je een heel leertraject te doorlopen, wat in de zestiende eeuw bij de Utrechtse smeden uiteindelijk in de meesterproef uitmondde. Ook werd erop gelet dat producten van goede kwaliteit waren. Dat beschermde alle gildeleden opnieuw tegen valse concurrentie, maar was ook van groot belang voor de klanten. Bakkers mochten hun brood niet te licht maken of allerlei rommel aan het meel toevoegen. Zilversmeden moesten zich aan een minimumgehalte van edelmetaal houden, grofsmeden dienden deugdelijk ijzer te gebruiken enzovoorts.
Dergelijke gilden ontstonden in het begin organisch door voorbeelden van elders na te volgen, zelf nieuwe regels toe te voegen en steeds meer samen te werken. Dat betekent dat er geen oprichter valt aan te wijzen. Ook een oprichtingsdocument of oprichtingsdatum ontbreekt meestal. Dat geldt ook voor Utrecht, waar het begin van gilden in nevelen is gehuld. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat deze organisaties in het tweede kwart van de dertiende eeuw in Utrecht vorm hadden gekregen en aan het openbare leven begonnen deel te nemen. De smeden hebben, als een van de belangrijkste beroepen, daar zeker deel van uitgemaakt.
Helemaal helder is dit in 1289 wanneer de naam van een van de bruggen over de Oudegracht wordt vermeld: de Smeebrug. Via deze brug en de (Korte en Lange) Smeestraat kon een van de belangrijkste en oudste stadstorens worden bereikt, de Smeetoren, die tot de afbraak ervan in 1855 het stadsbeeld heeft gesierd. Deze oude vermelding van de naam van de brug geeft duidelijk aan dat smeden en hun gilde een vaste positie in de stad hadden. Dit hangt samen met de macht van de gilden en hun rol in de stadsverdediging, waarover meer in het volgende stuk staat
De vermelding van de Smeebrug in 1289, en samenhangend daarmee de Smeestraten en de Smeetoren, wijst erop dat toen al een systeem bestond waarbij de muren en stadstorens van Utrecht door leden van de gilden werden bewaakt en verdedigd. Elk gildelid moest eens in de zoveel tijd ’s nachts een deel van de muren bewaken en in tijden van crisis in het stadsleger dienen. Ook het dagelijks onderhoud van de muur en de gracht hoorde hierbij. Het smedengilde nam het stuk noordelijk van de Smeestraat en de Smeetoren (met de iets verderop gelegen Kleine Smeetoren ter hoogte van de Tuinstraat) voor zijn rekening. Om die reden heette de buurt tussen Smeestraat en het regulierenklooster aan de Oudegracht (het vroegere Tivoli) lang ‘Onder de Smeden’ (dus niet omdat daar alle smeden woonden).
Dit was natuurlijk een effectief middel om zoveel mogelijk burgers bij de stadsverdediging te betrekken. In de loop der tijd ging het ook betekenen dat elke burger verplicht lid van een gilde moest zijn – of hij nu een ambacht uitoefende of niet – en andersom dat elk gildelid het burgerrecht moest bezitten. Een gevolg hiervan was weer dat het aantal gilden beperkt bleef in vergelijking tot andere steden. Eenentwintig gilden waren, van de veertiende tot in zestiende eeuw, zelfstandig of soms samen met andere, verantwoordelijk voor de dertien delen van de stadsmuur.
Deze cruciale rol tekent de nauwe band tussen gilden en stad. In de loop van de dertiende eeuw wilden de gilden hun groeiende economische, financiële en uiteindelijk ook militaire belang tot uitdrukking zien komen in meer invloed op het stadsbestuur. Hét voorbeeld daarbij was Vlaanderen met zijn grote steden en hun zelfbewuste gilden. De zittende Utrechtse stadsbestuurders, voor het leven benoemd uit een selecte groep grote families van kooplieden en grondbezitters, gaven hun posities niet snel goedschiks op. Toen de politieke kans zich voordeed, grepen de Utrechtse gilden in 1274 de macht, zetten de stadsbestuurders af, verbanden ze uit de stad, en vormden zelf een nieuw stadsbestuur. Hun eigen voormannen, de oudermannen (elders dekens genoemd), spraken toen recht in de stad en vaardigden verordeningen uit ‘in het algemeen belang’. Toen de politieke wind in 1276 draaide, herkregen de oude machthebbers hun posities.
Deze eerste episode was een voorbode voor de gebeurtenissen uit 1304. Opnieuw waren het politieke ontwikkelingen die nieuwe kansen boden. De verwikkelingen van de strijd tussen Frankijk en Engeland en een oorlog tussen Vlaanderen en Holland waren hier onderdeel van. De Utrechtse bisschop, de landsheer, raakte in gevangenschap. In verschillende Vlaamse steden grepen de gilden de macht. Groepen Vlamingen, versterkt met Hollandse en Zeeuwse opstandelingen, trokken in 1304 naar Utrecht waar ze binnen de stad werden gelaten. Dit leidde in dat jaar tot de uitvaardiging van de Gildebrief. Hierin werd vastgelegd dat de stadsbestuurders voortaan jaarlijks via een getrapte verkiezing door de gilden zouden worden gekozen. In ieder (hoofd)gilde zouden via loting kiesmannen worden gekozen, die de oudermannen of dekens van de gilden benoemden, die op hun beurt weer de raden, schepenen en burgemeesters voor dat jaar verkozen. Alleen gildeleden mochten stemmen. De overige inwoners van de stad hadden dat recht niet.
Andere afspraken in de Gildebrief waren dat de bestuurders niet in dienst van een of andere heer mochten staan. Burgers die buiten Utrecht in de problemen waren gekomen, zouden door de stad worden bijgestaan. De gilden moesten met grote uitgaven van de stad instemmen. Hieruit zou een vorm van financiële controle komen. Ook zou het stadsbestuur de verordeningen van de gilden helpen in stand te houden. In het jaar hierop bevestigde de bisschop, de Utrechtse landsheer, dit akkoord. Dat betekende dat de Gildebrief, natuurlijk met allerlei aanpassingen, tussen 1304 en 1528 het basisdocument voor het Utrechtse bestuur vormde.
De Utrechtse gilden, met daarin het belangrijke smedengilde, hadden daarmee meer bestuurlijke invloed dan in enige andere Nederlandse stad. Slechts in Dordrecht en Den Bosch zien we, hoewel in mindere mate, iets wat hierop lijkt. Dat betekent weer niet dat iedereen gelijk was of dat het democratisch eraan toeging. Ook binnen gilden waren grote verschillen in rijkdom en invloed tussen gildeleden. Bovendien waren ook burgers die niet zelf een ambacht uitoefenden bij de gilden ingedeeld. Vaak zien we dat vooral een selecte groep rijkere en meer vooraanstaande burgers de meeste invloed had en de beste posities in het stadsbestuur innam. Slechts incidenteel, zoals tussen 1455 en 1456 en tussen 1525 en 1526, hadden de gilden echt de macht in handen. Aan de andere kant moesten bestuurders altijd rekening houden met de gilden en hun wensen. Omdat de gildeleden de basis van het stadsleger vormden en de muren bewaakten, waren ze een factor van belang. Alle burgers waren ook lid van een gilde en waren in theorie dus elkaars gelijke.
Een gilde was ook een broederschap, waarin alle leden als confraters in principe elkaars gelijke waren, ook al bestonden er in de praktijk allerlei economische en sociale verschillen. In de katholieke periode zat hieraan ook een religieuze component. Het Utrechtse smedengilde had een eigen altaar in de voornaamste parochiekerk, de Buurkerk, met een eigen priester die voor hen missen opdroeg. Het vierde feestdagen op de dagen van de patroonheilige en telde een eigen sociaal-religieuze Eloybroederschap, waarvan alle smeden verplicht lid waren. Een van de aspecten hiervan was aanwezigheid bij begrafenissen van smeden en deelname aan gebeden en diensten. Het gilde bezat daartoe ook grafkelders in twee Utrechtse parochiekerken.
Daarnaast had het de broederschapsidee van het gilde ook een sociale component: ondersteuning voor arme leden die niet meer voor zichzelf konden zorgen. Dit gebeurde eerst op incidentele basis. Vaste voet kreeg het tussen 1439 en 1443 toen het smedengilde een groot huis in de Boterstraat verwierf. Hier konden acht arme smeden, gefinancierd door het gilde, kost en onderdak krijgen, onder toezicht van een ‘gasthuismoeder’. Dit gasthuis zou tot het derde kwart van de negentiende eeuw blijven bestaan, al was het op het laatst in sterk afgeslankte vorm.
Deze zorg werd nog uitgebreid door een grote schenking van de broers Van Dashorst, een messenmaker en een slotenmaker. Vanaf 1603 werden er elke zondag in de Buurkerk een brood van een halve stuiver en een halve stuiver aan geld aan twintig arme smeden uitgedeeld. Waren die er niet, dan kwam dit aan andere armen ten goede. Door schenkingen werd dit fonds nog verder uitgebreid. Geen enkel Utrechts gilde besteedde zoveel geld aan zorg voor de eigen leden. Dit vormde ook de basis voor de charitas, die nu nog een van de pijlers van de huidige broederschap is. Meer hierover in het laatste hoofdstuk.
Nadat de protestanten in 1580 de openbare uitoefening van de katholieke religie verboden, verdwenen de katholieke componenten zoals het altaar en de missen, ook al bleven sommige andere zaken in aangepaste vorm bestaan. Nadat Utrecht in 1528 onder het gezag van keizer Karel V was gevallen, verdween de directe invloed op het stadsbestuur. De verkiezing van stadsbestuurders behoorde tot het verleden. Ook verdween de taak van de gilden om de muren te bewaken. Dit had als gevolg dat er ook geen reden meer was om het aantal gilden te beperken door dit te koppelen aan de bewaking van de muren. Een gevoelig verlies voor het smedengilde was de afsplitsing in 1597 van de rijke goud- en zilversmeden. Nog meer dan vroeger viel het gilde onder controle van de stedelijke overheid. Deze voorzag in algemene regels voor de gilden, waarmee ze een gelijk speelveld tussen de gilden in stand hield. Het gilde kon via verzoekschriften dit proberen te beïnvloeden, maar de stadsbestuurders hadden het laatste woord, beslisten conflicten en dienden alle wijzigingen van de reglementen goed te keuren.
Het gilde bloeide in de periode tot de Franse bezetting van Utrecht in 1672 en 1673 [ongeveer 250 leden]. Internationaal toonaangevend waren bijvoorbeeld de geweer- en pistoolmakers; datzelfde gold lang voor de vervaardiging van vingerhoeden (tot midden achttiende eeuw). Na de crisis van 1672-1673 groeide de lokale vraag weer, maar verdween langzamerhand de export. Zo werden er niet langer klokken of geschut vervaardigd, maar lag de nadruk meer en meer op op de lokale producten van grofsmeden en slotenmakers. Verschillende beroepen zoals trompetmakers en sporenmakers verdwenen in de loop van de achttiende eeuw. Wel traden horlogemakers toe.
Tegelijk kwam er steeds meer kritiek op de verplichtingen die een gilde met zich mee zou brengen. Al vroeg was de beperking op het aantal arbeidsuren opgeheven. Fundamenteel bleek de opvatting te zijn dat alle mensen gelijk en vrij waren en er dus ook geen beperkingen zouden moeten zijn voor niet-gildeleden om een ambacht uit te oefenen. Dit zou de welvaart ook ten goede komen. In Frankrijk werden de gilden daarom in 1791 afgeschaft. Met het begin van de Franse tijd in Nederland in 1795 kwamen ook hier de gilden onder druk te staan. Begin 1798 kreeg een meer radicale groep de overhand. In de grondwet werd een einde gemaakt aan lokale, stedelijke zelfstandigheid. Ook diende er vrijheid van koophandel en nijverheid te zijn voor iedereen. Gilden werden daarom opgeheven. Voor het Utrechtse smedengilde brak een onzekere tijd aan. Over hoe dit gilde overleeft heeft gaat het laatste hoofdstuk.
De opheffing van de gilden was echter op lokaal vlak verre van definitief. Het Utrechtse gemeentebestuur probeerde de lokale neringen toch te beschermen en eiste nog steeds het burgerschap van de stad voor men een bedrijf kon beginnen. In 1801 kregen de steden ook een deel van hun zeggenschap terug. In Utrecht oordeelde het bestuur dat de opheffing tot nadelen had geleid. In andere gedaante zouden de gilden mogen terugkomen. Iedereen mocht nu lid ervan worden, mits ze burger waren, de leertijd hadden doorlopen, de proef hadden afgelegd en hun lidmaatschapsgelden betaalden. Wel werden de kosten verlaagd en de proeven gemoderniseerd.
De gilden werden zo in 1804 tot handelsbedrijven; bij de smeden het Handelsbedrijf der Smeden. Hierna volgde een periode van grote verwarring. Eind 1805 voerde de regering een landelijke belasting in, het patent, waarbij bijna alle beroepen en bedrijven na betaling vrij mochten worden uitgeoefend. In theorie betekende dit het einde voor de gilden en handelsbedrijven.
De Utrechtse smeden protesteerden hiertegen bij het gemeentebestuur. Dat nam een dubbele positie in. Enerzijds voerde het de patentwet uit, anderzijds bemoeide het zich niet met de handelsbedrijven en liet deze voortbestaan. Pas na de inlijving bij Frankrijk ontving het stadsbestuur in 1812 de opdracht om corporaties niet langer te dulden.
Ook al bleef de Utrechtse burgemeester na het vertrek van de Fransen een voorstander van gilden, toch botste dit met de nog steeds geldende landelijke patentwet. Uiteindelijk werd op nationaal niveau de knoop doorgehakt: in 1818 werden de gilden opgeheven, in 1820 gevolgd door de liquidatie van hun fondsen.
Alle gilden?
In navolging van het Gallische dorpje 50 v.Chr. had één gilde een vooruitziende blik en oplossing. In 1812 hadden de Utrechtse smeden ermee ingestemd hun bijdrage aan het gasthuis te continueren. Dit voorkwam het einde. Het onroerend goed was namelijk bij het gasthuis ondergebracht, wat bleef bestaan als zorginstelling en zo aan liquidatie ontkwam. Ook het ermee verbonden handelsbedrijf werd niet opgeheven.
Sindsdien was er een organisatie met regenten van het Eloyengasthuis en commissarissen van het handelsbedrijf, die beide op het smedengilde teruggingen. Wel waren de problemen in het begin groot. Aansluiting bij het handelsbedrijf was niet verplicht. Veel smeden deden dit dan ook niet. De laatste smedenproef werd in 1835 afgelegd, de laatste echte smid trad een jaar later toe. Bovendien veranderde de bedrijfstak door de langzaam op gang komende industrialisatie. De inkomsten en afdrachten namen daardoor sterk af, wat ook het gasthuis in de problemen bracht. Dit leidde tot het afbouwen en omvormen van de zorg.
Het gasthuis keerde in de jaren 1860 nog een drietal toelagen uit; in 1883 volgde de laatste uitkering. Wel bleef de brooduitdeling bestaan, ook al geschiedde die vanaf 1908 in het huis aan de Boterstraat. In 1962 stopte de laatste uitdeling en werd omgezet in de schenking van steenkolen en levenspaketten aan een selecte groep en sinds 1990 meer algemeen in bijdragen aan de Stichting Noodhulp Utrecht.
Het smedengilde en het Eloyengasthuis onderging daardoor in de negentiende eeuw een langzame transformatie en leek een soort societeit te worden. De inkomsten van het gasthuis kwamen nu uit de contributie van diverse genootschappen die in de winter en zomer hun bijeenkomsten hielden. De regenten bepaalden jaarlijks wie hier lid van konden worden. Ook niet-smeden waren welkom, wat een verbreding naar tal van andere beroepen betekende. Uit deze genootschappen kwamen ook de nieuwe broeders. Tevens werden de ruimtes in het gasthuis aan allerlei externe organisaties en verenigingen verhuurd. Ten slotte werden enkele huizen uit het historische bezit van het gasthuis verhuurd.
Op avonden in het huis werd gepraat, gediscussieerd, kaart gespeeld en kolf gespeeld. De kolfbaan, die al jaren aan het huis verbonden was, werd eerst ook nog verhuurd. Sinds 1862 mochten niet alleen de regenten, maar ook de broeders daar spelen.
In 1902 was de complete versmelting tussen de genootschappen en de organisatie van het vroegere Eloyengasthuis compleet. Sindsdien kent het Eloyengasthuis zijn huidige vorm en is terug als een broederschap zoals ooit gilden ook begonnen. Daarbij was er wel een belangrijke wijziging opgetreden.
Vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw was er een groeiend historisch besef en ook een gevoel van trots op de eigen lange historie en de rol in de geschiedenis van Utrecht. Vanaf dit moment stonden tradities centraal evenals een zorgvuldige zorg voor het eigen gebouw, de nog in bezit zijnde voorwerpen zoals de schilderijen en het eigen archief. Maar werd ook de historische charitas functie niet vergeten.